ontmoet de kunstenaar: Jan Cremer

Jan Cremer behoort tot de belangrijkste makers uit onze collectie. Met zijn dubbeltalent als schilder en schrijver en zijn rebelse houding in beide disciplines heeft hij een enorme impact gehad. 

Jan Cremer (1940 - 2024), geboren op 20 april 1940 in Enschede, volgde kunstonderwijs in Arnhem en Den Haag en vertrok in 1959 naar Parijs, destijds het belangrijkste centrum van kunst en cultuur in Europa. In Parijs ontwikkelde hij zijn zogeheten 'Peinture Barbarisme' , met expressieve geste beschilderde doeken met dikke lagen verf, gemengd met zand, jute en andere materialen. Met zijn onorthodoxe techniek en dito persoonlijkheid plaatste hij zichzelf in één klap in midden in de moderne kunst.

In 1961 verliet Cremer de wereldstad Parijs (waar hij wel een atelier aanhield) voor het afgelegen Ibiza. De brandende zon en het ruige landschap leidde tot een serie werken die in hun trefzekere schriftuur haast Japans aandoen. Ze laten zien hoezeer schilderen en schrijven in elkaars verlengde kunnen liggen en soms elkaar overlappen. Bij Cremer was dat letterlijk het geval. De publicatie van zijn niets-verhullende schelmenroman Ik Jan 

Cremer in 1964 choqueerde de culturele elite in Nederland. Met de opbrengst van deze 'onverbiddelijke bestseller', die later in tientallen landen werd vertaald, vestigde hij zich in het Chelsea Hotel in New York. Daar begon hij opnieuw te schilderen, ditmaal geen abstracte doeken vol verfgeweld maar expressieve en kleurrijke tulpenvelden. Cremers incorporatie van het Hollandse clichébeeld bij uitstek mag gezien worden als een verbinding tussen de pure schilderkunst van Parijs en Ibiza met enerzijds de grote Hollandse landschapstraditie en anderzijds de anti-traditionele pop art van New York.

Een oudere Jan Cremer staat voor een groot schilderij in rood en donkerblauw. Cremer draagt zelf een donkerblauw pak en kijkt naar de verte.
Een zwart-wit foto van een jonge Jan Cremer. Hij zit op een kruk omringd met verfspullen.

manifest

Het door Jan Cremer en Jan Wesseling in 1959 geschreven manifest op beschadigde poten lopen – manifest aangaande de peinture barbarisme van cremer vormt een van de uitgangspunten van de tentoonstelling:

op beschadigde poten lopen
manifest aangaande de peinture barbarisme van cremer
een woest beest

hij werkt binnen het zachte vlees van de nacht. hij heeft de muitende manen van een barbaar. hij luistert naar de stilte waarin het uurwerk van zijn angst vele slagen overslaat. dit gaat ver.
wij ledigen de kleine glaasjes en vullen ze opnieuw. er is muziek. art blakey bouwt zijn boodschap in de barre vlakte van ons gehoor. (zie de kleine torren kruipen onder, in de hemel woont de onmacht van de mens, wij tellen de borrels niet meer). wij gaan verder dan de stem reikt. wij praten een pauze tussen de belegen lagen van uw huid. wij zeggen dat het een rotzooitje is dat de musea er vol mee hangen. wij lachen om de oude beschimmelde gefortuneerde heren die zorgvuldig de verf van hun vingers wrijven, hun bedroefde bril oppoetsen, sterven. (wij zijn de woeste wolven, wij ademen hun welstand aandachtig in, wij tellen de borrels niet meer). wij kotsen van de bloedarme bloeders van hun estetiese gijntjes, van hun goedgekapte hoofden van hun knapgesneden kostuums. zij hebben de lenige vingers van een prosituee. wij gaan verder dan de adem ruikt. wij ledigen de glaasjes en vullen ze. de barbarist zegt ‘er moet iets nieuws komen, het grote het waanzinnige. wij zullen de onmacht drinken uit de schedels van de halfzachten’. hij zegt ‘we hebben genoeg van hun gevoelige komposities hun verfijnde kleurengammaas. het is allemaal rotzooi, estetika. ik sodemieter verf op een doek, ik druip spat sla schop. Ik vecht met verf, soms win ik’.

want o wij zingen het soms wij gillen het soms in uw heilige huizen. niet wij willen het kleine geluk niet de kleine beleving niet de nijvere vlakvullinkjes van de jongens met de meccanodozen. het grote het waanzinnige. de blote emotie met de tatouages van de waanzin. wij ledigen de glaasjes en vullen ze opnieuw. het witte vocht gieten wij in onze snavels. wij zijn de grote roofvogels en zweven boven het zilte kind van uw zwijgen. de barbaren rukken u de ingewanden uit het lijf. zij begeleiden zich op de trommels van uw angstig zwetende voorhoofd. zij slopen de tempels van uw tekort. de barbarist zegt ‘zie de torren worden grote boze beesten. zij bewegen hun speeksel en zetten hun emoties om in verf’. hij hanteert het dode hout van zijn geboorte en bouwt een katedraal. als een lichtstaal bespringt hij het doek en doodt het begrip want het begrip gaat zich tebuiten aan de onmacht. hij torent boven u. zijn toorn is hevig.

wij ledigen de glaasjes en vullen ze opnieuw.

steun ons

Haal meer uit je liefde voor kunst. Word Vriend van Museum de Fundatie.